Dokters die deze aandoening opereren

Totale Knieprothese

 

 

Inleiding

 

Bij oudere patiënten met een gevorderde slijtage van de knie kan het plaatsen van een knieprothese (knieartroplastiek) overwogen worden. Hierbij worden de versleten gewrichtsvlakken afgezaagd en ter hoogte van het bovenbeen vervangen door een metalen gedeelte, ter hoogte van het scheenbeen door een hard plastic gedeelte welke met een metalen steel in het scheenbeen wordt vastgezet. Het geheel noemt men een totale knieartroplastiek of totale knieprothese.

De beide onderdelen van een knieprothese kunnen met cement worden vastgezet of er kan gekozen worden voor een zogenaamde ongecementeerde of cementloze totale knieprothese waarbij de prothese klemvast wordt aangebracht en er vanuit wordt gegaan dat deze op het bot vastgroeit. In de regel wordt het gedeelte van het bovenbeen zonder cement, het gedeelte van het scheenbeen met cement vastgezet. Wanneer de knieschijf eveneens versleten is dan kan deze vervangen worden door een hard plastic gedeelte. Is er alleen sprake van slijtage van het gewricht tussen knieschijf en bovenbeen dan kan dit gedeelte door een plastic en een metalen deel worden vervangen. Is er alleen sprake van slijtage aan de binnenkant of aan de buitenkant van de knie dan kan alleen de binnen- of buitenzijde van de knie vervangen worden door metalen en plastic gedeelte. Er wordt dan als het ware een halve nieuwe knie geplaatst. In de meeste gevallen is er slijtage in de gehele knie aanwezig en vindt er een volledige vervanging van de gewrichtsoppervlakken van zowel het bovenbeen als het scheenbeen plaats.

Na een kunstknieoperatie kan de patiënt de knie volledig strekken en in ieder geval tot 100° buigen. Het lichaamsgewicht kan pijnloos worden gedragen. Na een kunstknieoperatie voelt de knie nog gedurende een halfjaar warm aan. In Nederland worden ongeveer 5000 kunstknieën per jaar geplaatst. Het succespercentage van deze operaties is groot. Na tien jaar is in 90% van de gevallen nog steeds sprake van een goed resultaat. Omdat een nieuwe knie geen onbeperkte levensduur heeft, wordt de operatie bij jonge patiënten zo lang mogelijk uitgesteld.
Tijdens en soms ook enige dagen na de operatie krijgt de patiënt antibiotica om de kans op infectie te verkleinen. Om trombose te voorkomen, krijgt de patiënt Heparine of Sintrom gedurende zes tot twaalf weken na de operatie.