Dokters die deze aandoening opereren

Heupchirurgie

WAT IS HET HEUPGEWRICHT ?

Het heupgewricht wordt gevormd door een deel van het bekken (acetabulum) en de heupkop.

Het is een bolgewricht en biedt goede stabiliteit en goede beweeglijkheid.

Zowel de pan als de heupkop zijn bekleed met een dikke laag kraakbeen dat ervoor zorgt dat het heupgewricht soepel en pijnloos kan bewegen.

 

Net zoals andere gewrichten kan de heup een ziekte-proces ondergaan en is het vatbaar voor kraakbeenslijtage. Hierbij kan de patient een pijnklacht ontwikkelen, meestal van het mechanische type (= toenemend bij belasting).

 

MEEST FREQUENTE AANDOENINGEN THV. HET HEUPGEWRICHT

1) Heuparthrose - coxarthrose

Heuparthrose omvat het afslijten van het gewrichtskraakbeen van de heup. Dit kan idiopatisch optreden  (= zonder gekende oorzaak), tgv. aangeboren afwijkingen, avasculaire necrose (zie verder) of na een trauma/fractuur van heup of bekken en geeft aanleiding tot pijn, manken en bewegingsbeperking. Hierdoor heeft de patient pijn, is  werkonbekwaam en heeft een beperkt sociaal leven.

 

 
 


De pijn is meestal gelocaliseerd thv. de lies, het dijbeen, de buitenkant van de heup, de lage rug en kan zelfs uitstralen tot in de knie.

In het begin kan hiervoor een conservatieve behandeling ingesteld worden bestaande uit rust, activiteitsaanpassing, kinesitherapie en ontstekingswerende en/of pijnstillende medicatie.

Indien de toestand te ernstig wordt, kan enkel nog een heupprothese (klassiek of resurfacing) voorgesteld worden.

 

2) Heupfractuur

Een fractuur treedt (meestal) op na een trauma (val, verkeersongeval, sportongeval) en ontstaat dikwijls  op basis van osteoporose/botontkalking.

 

De breuklijn kan zich op verschillende plaatsen bevinden, net onder de heupkop (subcapitaal), thv. de heuphals (transcervicaal) of thv. de trochanterzone (pertrochantair).

Subcapitale en transcervicale breuken kunnen enkel met een heupprothese behandeld worden aangezien de bloedvoorziening van de heupkop beschadigd is.

 

 De pertrochantaire fracturen kunnen behandeld worden met osteosynthese (plaat en vijs of een mergnagel). 

 

 
 


3) Avasculaire necrose

Avasculaire necrose is het afsterven van (een deel van) de heupkop door een stoornis in de bloedvoorziening. Hierdoor kan het bot zodanig verzwakken dat een deel inzakt en vervormt waardoor ook de rest van het gewricht kapotgaat en vroegtijdige arthrose ontstaat.

Deze aandoening komt voornamelijk voor op jongere leeftijd.

Oorzaken zijn oa. suikerziekte, alcohol, cholesterol maar dikwijls kan de oorzaak niet achterhaald worden (idiopatisch).

Conservatieve therapie met decompressie van de heupkop door middel van boorgaten (forage) heeft alleen maar zin in een vroegtijdig stadium en geeft wisselende resultaten. Steunverbod gedurende een bepaalde periode is zinloos.

In geval van uitgesproken pijn en inzakken van de heupkop kan enkel overgegaan worden tot een totale heupprothese.

Wanneer er nog voldoende goed bot aanwezig is, kan een heupprothese type resurfacing geplaatst worden. Bij een te grote aantasting van de heupkop zal een klassieke cementloze heupprothese geplaatst worden, eventueel met een grotere metalen bol in combinatie met een resurfacing pan.

         

 

 4) Rheumatoide arthritis.

Bij deze aandoening is er een aantasting van het gewrichtskapsel: het zieke kapsel gaat overmatig veel irriterend gewrichtsvocht produceren waardoor kraakbeenaantasting ontstaat.

5) Peri-articulaire ossificatie (P.A.O.) of heterotope botvorming (H.O.)

Bij peri-articulaire ossificatie treedt er verbening op in de spieren en weefsels die het heupgewricht omgeven waardoor verminderde beweeglijkheid en pijn kunnen ontstaan. Soms treedt zelfs een volledige verstijving van de heup op.

Dit kan o.a. ontstaan na het plaatsen van een heupprothese of na een hersentrauma.

 

Preventie na totale heupprothese bestaat uit grondige wondspoeling tijdens de operatie en nabehandeling met ontstekingswerende medicatie (in onze dienst Indocid 25 mg 3x per dag gedurende 12 dagen; hierdoor zien wij deze complicatie nog zeer uitzonderlijk).

Bij patienten met uitgesproken risico (bv. PAO aan de andere zijde)  of patienten met maagproblemen wordt de dag voor de operatie een preventieve dosis radiotherapie (bestraling) gegeven.

SYMPTOMEN BIJ HEUPARTHROSE

Deze beginnen meestal met pijn bij steunen en bewegen. Hierdoor ontstaat een mankend gangpatroon. Soms moet de patiënt een kruk of wandelstok gebruiken om de heup te ontlasten.

Wanneer de toestand verder evolueert, ontstaat ook een progressieve vermindering van de beweeglijkheid (meestal zijn de rotatie en de flexie van de heup beperkt). Hierdoor wordt het bv. moeilijk om kousen en/of schoenen aan te trekken.

DE DIAGNOSE

Het stellen van de diagnose gebeurt door een combinatie van klinisch onderzoek en radiologische opnamen.

Soms zijn meer gespecialiseerde onderzoeken nodig zoals een NMR of botscan.

DE TOTALE HEUPPROTHESE

1)    De klassieke totale heupprothese

 

•In onze dienst wordt gebruik gemaakt van een cementloze titaniumprothese, bekleed met hydroxyapatiet (= een stof die het bot aantrekt waardoor de prothese vastgroeit na enkele weken). Er wordt wel direct een primaire stabiliteit verkregen zodat na de operatie direct volledig mag gesteund worden op het been.
Indien tijdens de operatie onvoldoende fixatie wordt bekomen, wordt overgegaan tot het plaatsen van een gecementeerde prothese.
Op de steel wordt een keramische of een metalen bol gemonteerd.
      

       

•In het bekken wordt een metalen ring gezet met daarin een polyethyleen (= harde plastic) bekleding. Bij de jongere patiënt, die niet meer in aanmerking komt voor een heupprothese type resurfacing (zie lager), wordt gebruik gemaakt van een nieuwe polyethyleen (highly cross-linked) of keramische insert (= binnenbekleding van het pannetje) die volgens laboratoriumtesten minder slijtage vertoont in vergelijking tot de klassieke polyethyleen. Hierdoor kan ook gebruik worden gemaakt van grotere bollen op de steel (32 en 36 mm in plaats van 28 mm) wat een grotere stabiliteit betekent met minder kans op ontwrichting (luxatie).


2)    De totale heupprothese type resurfacing

Bij een resurfacing procedure wordt de heupkop niet afgezaagd, maar blijft deze bewaard. Enkel het aangetaste kraakbeen wordt verwijderd en vervangen door een metalen helm die over de heupkop wordt geplaatst in combinatie met een metalen cementloze pan.

Hierbij wordt zoveel mogelijk bot gespaard en wordt de heup als het ware hersteld in zijn vroegere vorm wat de stabiliteit zeer ten goede komt.

Voordelen van deze techniek zijn:

•herstel van de anatomische verhoudingen (dus in principe geen beenverlenging)
•bewaren van een groot deel van de heupkop
•metaal-op-metaal wrijvingskoppel, dus beperkte slijtage aangezien geen plastieken pannetje meer wordt gebruikt
•grotere diameters dus grotere stabiliteit en grotere mobiliteit
•na de operatie zijn alle activiteiten toegelaten, ook sporten
•indien nodig, later gemakkelijkere revisie waarbij de heupkop wordt afgezaagd zoals bij een klassieke primaire prothese
Deze techniek kan worden toegepast bij patienten met heuparthrose met nog goede botkwaliteit (geen osteoporose). Dus gemiddeld bij mannen tot 65 jaar en vrouwen tot 60 jaar.

Ook bij (beperkte) avasculaire necrose kan dit type gebruikt worden.

Bij uitgesproken anatomische afwijkingen kan deze techniek niet gebruikt worden alsook bij osteoporose wegens de verhoogde kans op fractuur.

In onze dienst wordt de BHR-prothese ontwikkeld door dr. D. Mc Minn gebruikt.

 

3)  Revisie van een heupprothese

A ) Revisie van de steel:

Het merendeel van de revisies wordt uitgevoerd met een cementloze, met hydroxy-apatiet beklede langere steel die eventueel kan vastgeschroefd worden in het dijbeen. Hierop kan een keramieken of een metalen bol of zelfs een resurfacing-type bol geplaatst worden.

B ) Revisie van de cup/pan:

•Indien nog voldoende bot aanwezig is, wordt gebruik gemaakt van een cementloze pan met keramische of poly-ethyleen binnenbekleding. Soms wordt ook gebruik gemaakt van een metalen cup type resurfacing, eventueel bijkomend gefixeerd met 1 of 2 vijzen. Dit laatste laat toe om grotere resurfacing bollen (modular heads) te monteren op de steel in het dijbeen wat de mobiliteit en de stabiliteit van de heup ten goede komt. Door het gebruik van deze grote bollen wordt het risico op ontwrichting quasi tot nul herleid.


 


•Indien onvoldoende bot aanwezig is, wordt gebruik gemaakt van reconstructie-ringen die in het bekken worden gefixeerd met schroeven en waarin een poly-ethyleen pannetje wordt vastgezet met cement. Dikwijls moeten achter deze ringen ook nog botgreffen uit de botbank geplaatst worden om de defecten op te vullen. Op dit moment wordt gebruik gemaakt van vernieuwde poly-ethyleen (cross-linked) wat de slijtage doet verminderen en waarbij eveneens grotere bolletjes kunnen gebruikt worden zodat een betere stabiliteit wordt verkregen.


C ) Totale revisie

Als beide componenten zijn losgekomen worden zowel de steel als de pan vervangen.

4) De bipolaire heupprothese

Deze wordt geplaatst bij subcapitale heupfracturen op oudere leeftijd. Er wordt enkel een steel in het dijbeen geplaatst in combinatie met een kleine bol vastgeklikt in een grotere mobiele bol die in het acetabulum (beenderige bekkenpan) draait.

Er gebeurt dus geen vervanging van het beenderige pannetje. Hierdoor is de operatietijd korter zodat er minder gevaar is op complicaties tijdens en na de operatie. De patiënt kan na de ingreep direct volledig steunen.

DE GEBRUIKTE TOEGANGSWEG

Lateraal of posterolateraal afhankelijk van de chirurg en het gebruikte prothese-type.

 

DE REVALIDATIE

De gemiddelde verblijfsduur in onze dienst bedraagt een 7-tal dagen voor een klassieke totale heupprothese en een 4-tal dagen voor een heupprothese type resurfacing. Dit kan variëren afhankelijk van de leeftijd en de algemene toestand van de patiënt.

Bij een klassieke heupprothese wordt gestart met gangrevalidatie 2 dagen na de operatie; bij de resurfacing techniek gebeurt dit al de eerste dag postoperatief.

Elke patiënt ontvangt een heupboekje met specifieke informatie en revalidatie-richtlijnen.

 

Er is mogelijkheid om vanuit het ziekenhuis naar een revalidatiecentrum te worden overgebracht (in overleg met de sociale dienst; te verwittigen via de verpleging).