Anatomie van de enkel en de voet

De enkel bestaat uit de enkelvork die wordt gevormd door het scheenbeen (tibia) en het kuitbeen (fibula) en het sprongbeen (talus). Men heeft een binnenenkel (mediale malleolus) en buitenenkel (laterale malleolus), respectievelijk gevormd door het scheenbeen en het kuitbeen, die beide duidelijk voelbaar zijn. Het wordt ook wel het bovenste spronggewricht genoemd. Dit gewricht zorgt voor de op- en neerbeweging van de voet. Het onderste spronggewricht, dat officieel niet bij het enkelgewricht behoort, wordt gevormd door het sprongbeen (talus), hielbeen (calcaneus) en de omliggende voetwortelbeentjes. Dit gewricht zorgt voor de zijwaartse kanteling van de voet (bv het stappen op oneffen grond).


Een enkelgewricht heeft zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde gewrichtsbanden. Deze aan de binnenzijde zijn veel stugger en zorgen meer voor de passieve stabiliteit. Deze aan de buitenzijde daarentegen zijn meer rekbaar en dus ook gevoeliger voor trauma. Naast de gewrichtsbanden zorgen de spieren en de pezen mee voor de stabiliteit van de enkel. Daarom is het belangrijk dat de spieren goed ontwikkeld zijn. Het zijn deze structuren die je kan oefenen na een verstuiking.

De voet bestaat uit vele kleine botten die de voet buigzaam maken zodat het kan functioneren op een oneffen ondergrond. De voet is ingedeeld in 3 anatomische delen: de achtervoet (tarsus), de middenvoet (metatarsus) en de tenen (phalanges). De achtervoet bestaat uit zeven beenderen. Het gewicht van het lichaam wordt voor het grootste gedeelte gedragen door de achterste twee tarsale botten; het sprongbeen (talus) en het hielbeen (calcaneus). Daarnaast zijn er nog 5 voetwortelbeentjes. Er zijn 5 middenvoetsbeentjes, genaamd de metatarsalen, één voor elke teen. Elke teen heeft 3 botjes met uitzondering van de grote teen die er twee heeft.